Zingeving & Spiritualiteit


Hoofdfase


De hoofdfase van de opleiding Zingeving & Spiritualiteit wordt gevormd door het 2e, 3e en 4e studiejaar.

Studieprogramma hoofdfase

 WIJSBEGEERTE VAN HET OOSTEN
Behandeld worden de grote lijnen van de wijsbegeerte en spiritualiteit van het Oosten en de historisch-systematische situering van de Oosterse filosofie en het denken over de mens.
Module:Wijsheid uit het Oosten (4WGO4) Hindoeisme, Boeddhisme, Confucianisme en Taoisme
Omvang:6 EC
Docent:Drs. H. Boswinkel
Doelstelling:Het verkrijgen van kennis en inzicht in de belangrijkste noties en de historisch-systematische situering van de Oosterse filosofie en het denken over de mens. Elementaire kennis van de ontstaansgeschiedenis van het hindoeisme en boeddhisme en het levensverhaal van Boeddha. Inleidende kennis van de geschriften, de praktijk en de actualiteit van het hindoeisme en boeddhisme.
Inhoud:Overzicht van de ontstaansgeschiedenis van het hindoeisme en boeddhisme; de historische ontwikkelingen, de religieuze concepten, godengestalten en religieuze praktijken. Bij de behandeling van het boeddhisme wordt aandacht besteed aan Boeddha's verlossingsleer en de daarin voorkomende leringen. Bijzondere aandacht wordt besteed aan het Confucianisme en het Taoisme.
Werkvormen:Hoor- en discussiecollege.
Toetsvorm:Take-home tentamen
Literatuur:a) Verplicht:
  • N. Smart, Godsdiensten van de wereld Kampen, 2003
  • Reader, Wijsheid uit het Oosten (H. Boswinkel) [?]
b) Aanbevolen:

  • A. Nugteren, Hindoeïsme. Heden en verleden Leuven/Apeldoorn, 1992
  • L.P. van den Bosch, Inleiding in het Hindoeïsme (katern Levende Godsdiensten 1, 2) Kampen, 1990
  • M. van den Boom & L.. Minnema, Boeddhisme Kampen, 2000
  • J. Bor en K. van de Leeuw, 25 eeuwen Oosterse filosofie Amsterdam, 2003
 GODSDIENSTWETENSCHAPPEN
Het verkrijgen van kennis en inzicht van de gehanteerde begrippen, uitgangspunten en werkwijze van de godsdienstwetenschappen. Kennis van en inzicht in de verbanden tussen theologische, filosofische, psychologische en sociaal wetenschappelijke studie van godsdiensten. Bestudeerd worden godsdienstige stromingen en mensbeelden.
Module:Godsdienstige stromingen (2GWE2)
Omvang:6 EC
Docent:Drs. H. Boswinkel
Doelstelling:De student verkrijgt kennis van de in Nederland voorkomende godsdienstige en levensbeschouwelijke stromingen.
Inhoud:De religieuze kaart van Nederland. Aandacht wordt besteed aan bewegingen zoals Jehova Getuigen, Baptisten, Noorse broeders, 7e dags adventisten en Pinkstergemeente. Daarnaast zal aandacht besteed worden aan theorieën en aspecten van eindtijdverwachtingen.
Werkvormen:Hoor- , discussie-, en werkcollege.
Toetsvorm:Het houden van een referaat en een maken van een werkstuk van ± 15 pgs. over een zelfgekozen godsdienstige stroming.
Literatuur:a) Verplicht:
  • E. Barker & R. Singelenberg, Nieuwe religieuze bewegingen. Een praktische inleiding Kampen, 1996
b) Aanbevolen:

  • B. van Gelder en E.G. Hoekstra, Spoorzoeken Kampen, 2004
  • H. Knippenberg, De Religieuze Kaart van Nederland Assen, 1992
  • E.G. Hoekstra en M.H. Ipenburg, Wegwijs in religieus en levens beschouwelijk Nederland Kampen, 2000
Module:Zin en onzin van astrologie (4GWE4)
Omvang:6 EC
Docent:George Bode MSc
Doelstelling:Studenten verkrijgen inzicht in de quidditeit van de begrippen astronomie/astrologie, maken kennis met het wetenschappelijk onderzoek van Michel Gauquelin en kunnen een standpunt formulelen over de denkbare samenhang tussen de stand van de planeten op het moment van geboorte, sommige menselijke gebeurtenissen en gedrag.
Inhoud:De astrologie/astronomie vinden voor een belangrijk deel hun oorsprong in Egypte en Babylonië. De overgeleverde teksten kunnen worden gegroepeerd naar de soort. Er zijn teksten die meer in de astronomische sfeer liggen, zoals de astrolaben, die dateren uit de periode 1100-1000 v. Chr., de vele waarnemings- en berekeningsteksten uit de periode na 500 v. Chr., maar ook teksten van zuiver astrologische aard zoals de talloze compendia met omina, gebaseerd op hemelverschijnselen en planetaire standen. In de moderne tijd heeft de Franse wetenschapper Michel Gauquelin in zijn omvangrijke studie, die in dertien delen gepubliceerd is, statistisch aangetoond dat er een samenhang is tussen de stand van de planeten op het moment van geboorte en gedrag. In zijn studies heeft hij tevens aangetoond dat er planetaire verbanden bestaan tussen de horoscopen van ouders en kinderen en het beroep van bepaalde personen. Het onderzoek van Gauquelin maakt aannemelijk dat astrologie berust op een aantoonbare realiteit. Naast het centrale thema van de quidditeit van de astrologie wordt aandacht besteed aan de Babylonische wortels van de astrologie, de Hellenistische synthese, de bijdragen van de Egyptische- , de Indiase-, en de Arabische astrologie, de bloei in de middeleeuwen, de neergang in de 18e-eeuw en de opleving in de 19e-eeuw.
Werkvormen:Hoor-, werk-, en discussiecollege
Toetsvorm:Door docent nader te bepalen
Literatuur:a) Verplicht:
  • George Bode, Handboek Astrologie Utrecht, 1994
  • George Bode/Peter Delahay, Horoscoop en sterrebeeld Den Haag, 2002
b) Aanbevolen:

  • George Bode, De nieuwe planeten Amsterdam, 1981
  • George Bode, Perspectief en niveau van de horoscoop Amsterdam. 1982
  • George Bode, Progressies Amsterdam, 2003
  • H.J. Eysenck en K. Bias, Astrology, Science or Superstition? Londen 1982
  • Michel Gauquelin, Cosmic Influences on Human Behaviour Londen, 1974
 ZINGEVING EN TRANSCENDENTIE
Aan de orde komen psychosociale, psychotherapeutische en transcendente referentiekaders die kunnen helpen de zin van het leven te ontdekken. Naast een abstracte betekenis van het leven gaan we op zoek naar de denkbare mogelijkheid van een specifieke levenstaak en bestemming van de mens.
Module:Existentiële psychotherapie (2ZET2)
Omvang:7 EC
Docent:Drs. H. Boswinkel
Doelstelling:Het verkrijgen van inleidende kennis en oriëntatie in de existentiële psychotherapie.
Inhoud:Aandacht wordt besteed aan de existentiële filosofie van de Weense psychotherapeutische school van Viktor Frankl.
Werkvormen:Hoor- , werk- en leescollege. Het lezen van teksten, schrijven van een paper.
Toetsvorm:Door docent nader te bepalen.
Literatuur:a) Verplicht:
  • Viktor E. Frankl, De zin van het bestaan. Een inleiding tot de Logotherapie. Rotterdam, 1991
  • Schriftelijke preparaties, [?] [?]
b) Aanbevolen:

  • Viktor E. Frankl en P. Lapide, Gottsuche und Sinnfrage München, 2007. Verlagsgruppe Random House GmbH
  • Viktor E. Frankl, Heeft het leven zin. Een moderne psychotherapie Rotterdam, 1981
  • Viktor E. Frankl, De vergeefse roep om een zinvol bestaan (vert. van The Unheard Cry for meaning. Amsterdam, 1981
Module:Levensloop en levenslot (3ZET3)
Omvang:8 EC
Docent:Drs. H. Boswinkel
Doelstelling:De studenten verkrijgen inzicht in onze ervaringen als mogelijke signalen van opdracht en bestemming.
Inhoud:Het leven is een aaneenschakeling van gebeurtenissen en ervaringen; de ene belangrijker dan de ander. Mogelijk loopt daar doorheen een draad, die aangeeft wat er in ons leven eigenlijk gebeurt. We gaan op zoek naar de samenhang van kenmerkende gebeurtenissen die ons kan leren wat onze bestemming is.
Werkvormen:Hoor- en discussiecollege
Toetsvorm:Referaat
Literatuur:
  • C.J. Schuurman, De rode draad in ons leven. Onze ervaringen als signalen van opdracht en bestemming Deventer, 1986 (reader verkrijgbaar).
Module:Synthese Levensloop en levenslot (4ZET4)
Omvang:6 EC
Docent:Drs. H. Boswinkel
Doelstelling:Kennismaken met de synthese van het individuatieproces van C.G. Jung, de therapeutische benadering van Viktor Frankl, het concept levensloop en levenslot van C.J. Schuurman en het werk van Edgar Cayce.
Inhoud:In een filosofische benadering van zingeving zou de mens niet dienen te vragen wat hij van het leven mag verwachten, maar in plaats daarvan zou hij moeten begrijpen dat het leven iets van ons verwacht. Op basis van een sociaal-maatschappelijke, spirituele en wijsgerig-antropologische mensvisies gaan we op zoek naar een denkbare levensopdracht en bestemming van de mens. Binnen deze zoektocht wordt in het bijzonder aandacht besteed aan de synthese tussen het individuatieproces van C.G. Jung, de therapeutische benadering van Viktor Frankl, onze ervaringen als signalen van opdracht van C.J. Schuurman en het werk van Edgar Cayce.
Werkvormen:Hoor-, werk- en discussiecollege met ruimte voor eigen inbreng, het lezen van teksten, schrijven van een paper.
Toetsvorm:Referaat
Literatuur:
  • Diverse teksten worden ingebracht en bestudeerd., [?] [?]
 PSYCHOLOGIE
Aan de orde komen enkele elementaire beginselen van de analytische- en de godsdienstpsychologie. Thema’s die o.a. aan de orde komen zijn: ontwikkelingspsychologie en psychopathologie.
Module:Psychopathologie en geestelijke gezondheid (2PSY2)
Omvang:6 EC
Docent:Drs. J.A. Mink
Doelstelling:De student verkrijgt kennis van (klinisch)psychologische beginselen die gericht zijn op het herkennen van psychosociale, psychopathologische en psychosomatische theorievorming rond de verhouding van geestelijke gezondheid/ongezondheid en inzicht in het verschijnsel overdacht en tegenoverdracht.
Inhoud:Aandacht wordt besteed aan de essentiele kenmerken van neurose, psychose, borderlinestoornissen en (psycho)pathologische gedragspatronen.
Werkvormen:Hoor- en discussiecollege.
Toetsvorm:Het maken van een werkstuk met een omvang van 7 tot 10 pgs. excl.
Literatuur:
  • J. Cullberg, Moderne psychiatrie; een psychodynamische benadering Baarn, 1995
  • K. Meijer, Handboek psychosomatiek Baarn, 1995, pgs. 13-91.
Module:Psychosynthese en Individuatie (4PSY3)
Omvang:5 EC
Docent:Drs. J.A. Mink
Doelstelling:De studenten verkrijgen kennis van en inzicht in de psychosynthese als transpersoonlijke psychologie.
Inhoud:De psychiater Roberto Assagioli integreerde, meer nog dan Jung, spirituele en mystieke tradities met zijn psychologische inzichten. Aandacht wordt besteed aan integratieve elementen van de Jungiaanse en Humanistische psychologie die hebben bijgedragen tot de ontwikkeling van de psychosynthese als een transpersoonlijke psychologie.
Werkvormen:Hoor- en discussiecollege.
Toetsvorm:Het maken van een werkstuk met een omvang van ± 7 pag. excl.
Literatuur:
  • P. Ferruci, Heel je leven; een nieuwe oriëntatie door psychosynthese Haarlem, 1981
  • Reader, Jungiaanse psychologie (J.A. Mink)
  • Reader, Humanistische psychologie (J.A. Mink)
 WESTERSE ESOTERIE
De grote lijnen van de geschiedenis van de Westerse-esoterie en de belangrijkste ontwikkelingen van het esoterisch gedachtegoed is object van studie.
Module:Westerse esoterie in de Renaissance (2WES2)
Omvang:6 EC
Docent:Drs. J. Slavenburg
Doelstelling:Het verkrijgen van kennis en inzicht in de ontwikkeling van de Westerse-esoterie ten tijde van de Renaissance.
Inhoud:Aandacht wordt besteed aan religieuze stromingen binnen de Westerse cultuur. Aan de orde komen Giordano Bruno, Cornelius Agrippa, Marsilio Ficino, Pico della Mirandola en Lodovico lazzarelli.
Werkvormen:Hoor- en werkcollege met ruimte voor eigen inbreng
Toetsvorm:Huiswerkopdracht
Literatuur:a) Verplicht:
  • Francis Yates, Giordano Bruno en de Hermetische traditie [?]
  • J. Slavenburg en J.van Schaik, Westerse esoterie en Oosterse wijsheid Deventer 2010
  • Pico, Rede over de menselijke waardigheid Groningen 2008
b) Aanbevolen:

  • Allison Coudert, Alchemie; de steen der wijzen Deventer 1984
  • Ernst Kaiser, Paracelsus Baarn 1977
Module:Westerse esoterie sinds de verlichting (3WES3)
Omvang:7 EC
Docent:Drs. J. Slavenburg
Doelstelling:Het verkrijgen van kennis en inzicht in de verdere ontwikkeling van het esoterisch gedachtegoed en literatuur in het tijdperk van de Verlichting en Romantiek.
Inhoud:Studenten maken kennis met het denken van de belangrijkste auteurs ten tijde van de Verlichting. Behandeld worden; Emanuel Swedenborg, Jacob B%uFFFDhme, Amos Comenius, Johann Valentin Andraea en het vroege rozenkruis.
Werkvormen:Hoor- en werkcollege
Toetsvorm:Take-home tentamen.
Literatuur:a) Verplicht:
  • G.A. Wehr, Jacob Boehme. Een biografie Haarlem, 2000
  • Francis Yates, De verlichting der Rozenkruisers [?]
  • {5:id}, Rosenkreuz als europäisches Phänomen im 17.Jahrhundert Amsterdam 2002
b) Aanbevolen:

  • Joost Vijselaar, De magnetische geest Nijmegen 2001
 PARAPSYCHOLOGIE
Aandacht wordt besteed aan het onderzoek naar vermogens, verschijnselen en waarnemingsvormen die niet met de normale zintuiglijkheid te verklaren zijn en die zich niet zo makkelijk lijken in te passen in het klassieke natuurwetenschappelijke denken.
Module:Synchroniciteit als middel tot zingeving (2PPS2)
Omvang:6 EC
Docent:Prof. dr. J.G.L Gerding
Doelstelling:De studenten maken kennis met enkele thema%u2019s en theorieën uit de Jungiaanse begrippenleer en verkrijgen inzicht in het verbindend principe dat door C.G. Jung synchroniciteit wordt genoemd.
Inhoud:Het betekenisvol toeval is object van studie. Het komt voor dat gebeurtenissen zo toevallig zijn en eigenaardig, dat men naar een verklaring zoekt, terwijl meteen duidelijk is dat die verklaring moeilijk te vinden zal zijn. C.G. Jung komt tot de conclusie dat hier sprake is van a-causale relaties die door betekenis verbonden zijn; door hem synchroniciteit genoemd. Jung zag bevestiging van zijn denkbeelden hierover in de moderne fysica. Aan de hand van de Jungiaanse begrippenleer worden spontane en ook zelf ingebrachte toevallige gebeurtenissen bestudeerd waarin het fysische en het psychische samenvallen. Bijzondere aandacht wordt besteed aan de rol die deze ervaringen met het betekenisvol toeval spelen in het proces van zelfverwerkelijking, door Jung %u2018individuatie%u2019 genoemd.
Werkvormen:Hoor- en discussiecollege.
Toetsvorm:Het schrijven van een ervaringsgerichte, zelfgekozen casus.
Literatuur:a) Verplicht:
  • I. Maso, De zin van het toeval. Baarn, 1997
b) Aanbevolen:

  • Jan Hendrik van den Berg, Geen toeval. Metabletica en geschiedschrijving Kampen, 1996
  • Robert H. Hopcke, De zin van toeval. Utrecht, 1998
  • C.G. Jung, Synchroniciteit. Een acausaal, verbindend beginsel Rotterdam, 1993
  • F. David Peat, Synchoniciteit: brug tussen geest en materie Rotterdam, 1988
  • Agela en Theodoor Seifert, Toeval bestaat niet. Over synchroniciteit en zinvol toeval Baarn, 2002
  • ML. Von Franz, Over voorspellen en synchroniciteit. De psychologie van het betekenisvolle toeval Amsterdam, 1984
Module:De moderne bijna-dood-ervaring (3PPS3)
Omvang:7 EC
Docent:Prof. dr. J.L.F. Gerding
Doelstelling:Studenten maken kennis met visies op dood en hiernamaals in bijbelhistorisch, religieusfilosofisch, psychologisch en transcendent perspectief.
Inhoud:We behandelen de bijna-dood-ervaring als religieuze ervaring en het begrip transcendentie. Na de behandeling van de inhoud en kernbegrippen wordt aandacht besteed aan de ontwikkeling en inhoud van het wetenschappelijk onderzoek. In het bijzonder wordt aandacht besteed aan de psychologische, farmacologische, fysiologische en transcendente verklaringsmodellen die kunnen worden aangedragen voor deze buitengewone ervaring.
Werkvormen:Hoor- en discussiecolleges
Toetsvorm:Mondeling tentamen
Literatuur:a) Verplicht:
  • P. van Lommel, Eindeloos bewustzijn Kampen, 2007
  • Reader, De bijna-dood-ervaring; de status quaestionis van het wetenschappelijk onderzoek en de verklaringsmodellen (H. Boswinkel)
b) Aanbevolen:

  • I. Maso, Onsterfelijkheid; van twijfel naar zekerheid Kampen, 2007
  • C. Mc. Dannel & B. Lang, Heaven, A History Londen, 1988 (of Nederlandse vertaling).
  • A.H. Maslow, Religie en topervaring Rotterdam, 1972
  • Rudolf Otto, Het heilige Amsterdam 2002
Module:Reincarnatie en zingeving (4PPS4)
Omvang:6 EC
Docent:Drs. H. ten Dam
Doelstelling:Het in kritische zin verkrijgen van kennis over re%uFFFDncarnatie.
Inhoud:In deze module besteden we aandacht aan de denkbare mogelijkheid van re%uFFFDncarnatie. We bespreken een aantal gevallen die op re%uFFFDncarnatie kunnen wijzen. In al deze gevallen beweren mensen zich een vroeger leven te herinneren. Deze beweringen worden in het algemeen door jonge kinderen gedaan. Kennelijk vervagen herinneringen aan een eerder leven naarmate men ouder wordt. Het thema re%uFFFDncarnatie wordt benaderd vanuit wetenschappelijke, psychotherapeutisch en levensbeschouwelijke gezichtspunten.
Werkvormen:Hoor-, werk- en discussiecollege.
Toetsvorm:Take-home tentamen.
Literatuur:a) Verplicht:
  • Hans ten Dam, Reïncarnatie: Denkbeelden en Ervaringen Ommen, 2002
  • Ian Stevenson, Twenty cases suggestive of Reïncarnation. Ned. vertaling: Reïncarnatie. 20 gevallen van vermoedelijke wedergeboorte. Amsterdam, 1981
  • Ian Stevenson, Children Who Remember Previous Lives. (of Ned. vertaling) [?]
b) Aanbevolen:

  • Jenny Cockell, Mijn kinderen uit een vorig leven Baarn, 1996
  • S.W. Couwenberg (red.), Karma, reïncarnatie en de roep om zingeving Kampen, 1997
  • Joan Grant/Denys Kelsey, Meer dan één leven. psychische problemen verklaard door vorige incarnaties Deventer, 1987
  • Peter en Mary Harrison, Reïncarnatieverhalen van kinderen Deventer, 1995
  • Joanne Klink, Vroeger toen ik groot was. Vérgaande herinneringen van kleine kinderen Baarn, 1990
  • Reender Kranenborg, Hugho S. Verbrugh, Reïncarnatie, een veelzijdig perspectief? Kampen, 1988
  • W. Logister, Reïncarnatie, de vele kanten van een oud en nieuw geloof Lannoo Tielt, 1990
  • Helen Wambach, De mens heeft vele levens Deventer, 1991
  • Helen Wambach, Life Before Life [?]
  • Christopher Bache, Life Cycles: Reincarnation and the Web of Life 1990
  • Robert J. Jarmon, Discovering the Soul: The Amazing Findings of a Psychiatrist and his Clients, [?]
  • Morris Netherton and Nancy Shiffrin, Past Lives Therapy (of Ned. vertaling); [?]
  • Roger Woolger, Other Lives, Other Selves: A Jungian Psychotherapist Discovers Past Lives (of Ned. vertaling). [?]
 FILOSOFIE
We maken kennis met de Westerse- en Oosterse filosofie en literatuur, waarbij de ontwikkeling van posities worden verankerd in korte en langere tekstfragmenten van belangrijke filosofen. We behandelen grote periodes, grondideeën en thema’s uit filosofie en metafysica die voor de zingeving en spiritualiteit een bijzondere relevantie hebben.
Module:Over Swedenborg, Kant en Metafysica (2FIL2)
Omvang:6 EC
Docent:Prof. dr. J.L.F. Gerding
Doelstelling:Studenten verkrijgen kennis van en inzicht in de interpretatie en analyse van de religieuze ervaring en het Swedenborg-Kant debat. In de context van de rationele metafysica en maken studenten kennis met de hypothese van de morfogenetische resonantie.
Inhoud:Religieuze filosofieën hanteren de hypothese dat er andere niveaus van werkelijkheid bestaan achter het fysieke, waar de beperkende beginselen van onze ruimte, tijd en sterfelijkheid niet van toepassing zijn. In die andere niveaus van werkelijkheid speelt niet alleen de theoretische fysica, de vorm-oorzaak-hypothese, maar ook de fenomenologie van de religieuze ervaring een belangrijke rol. Religieuze ervaring is de ervaring van mensen die claimen contact te hebben (gehad) met een werkelijkheid die uitstijgt boven de dagelijkse werkelijkheid. Het zou de waarneming zijn van het transcendente; een sub-manifeste zijnsorde. In deze module behandelen we de analyse van vormen en type van religieuze ervaringen: de religieuze ervaring als gevoel of emotie, de religieuze ervaring als waarneembare ervaring en de religieuze ervaring als interpretatie in bovennatuurlijke termen. In het bijzonder wordt aandacht besteed aan de briefwisseling van het E. Swedenborg (1688-1722) en de kenleer van de analytisch filosoof I. Kant (1724-1804). In het kader van metafysica wordt aandacht besteed aan de hypothese van de morfogenetische resonantie
Werkvormen:Hoor-, werk- en discussiecollege met ruimte voor eigen inbreng
Toetsvorm:Het houden van een referaat
Literatuur:a) Verplicht:
  • W. Saanen, De rol van gevoelens en emoties in de religieuze ervaring Utrecht, 1995
  • R. Sheldrake, A New Science of Life: the hypotheses of formative causation London, 1981 (of Nederlandse vertaling)
b) Aanbevolen:

  • A.H. Maslow, Religie en topervaring Rotterdam, 1972
  • Rudolf Otto, Het heilige Amsterdam 2002
  • F. Capra, De Tao van de fysica. Een onderzoek naar de paralel len tussen de moderne fysica en Oosterse mystiek. Utrecht, 1994
  • H.M.M. Fortman, Als ziende de Onzienlijke. een cultuurpsycho logische studie over de religieuze waarneming en de zoge naamde religieuze projectie Hilversum, 1974
  • J.L.F. Gerding, Kant en het paranormale Academisch proef schrift. Amsterdam, 1993
  • I. Kant, Träume eines Geistersehers, erlautert durch Träume der Metaphysik Darmstadt, 1983 (Hrs.)
  • H. Romijn, Hersenen, Geest en Kosmos. Neurobiologische, quantummechanische en psychologische aspecten Amsterdam, 1992
  • R. Sheldrake, Een nieuwe levenswetenschap; de hypothese van de vormende oorzakelijkheid Wassenaar, 1983
  • R. Sheldrake, The Present of the past New York, 1989
  • J. Snell, Dienende Engelen Breda, 1992
  • J. Weima, Reiken naar oneindigheid. Inleiding tot de psychologie van de religieuze ervaring Baarn, 1981
Module:Hylisch Pluralisme (3FIL3)
Omvang:7 EC
Docent:Drs. H. Boswinkel
Doelstelling:Het verkrijgen van kennis en inzicht in de och%uFFFDma-pneuma theorie
Inhoud:Aandacht wordt besteed aan denkbeelden over de verhouding van de ziel tot het lichaam. In esoterische mensbeelden komt de overtuiging voor dat de mens, behalve het fysieke lichaam, ook een andere lichamelijke vorm heeft die is opgebouwd uit een andere soort materie dan de gewone stof. Lichaam en ziel zijn namelijk zo verschillend van aard, dat zij zonder een tussenschakel geen contact zouden hebben. De denkbare mogelijkheid van een stoffelijke meervoudigheid is een verwaarloosd thema in het Westers denken. Het concept vindt zijn oorsprong in enkele van de vroegste spirituele teksten uit India, Egypte, de Griekse (antieke) wijsbegeerte en handhaafde zich in het Oude- en Nieuwe Testament. Behandeld worden thema%u2019s uit de metafysica van de belangrijkste filosofen en het begrip transcendentie. Aan de orde komen de Pr%uFFFD-socraten, Socrates, Plato en Aristoteles met een uitloop naar de Stoa, het Hellenisme en het Neo- platonisme.
Werkvormen:Hoor- en discussiecollege
Toetsvorm:Literatuurtentamen; het maken van een samenvattend leesverslag.
Literatuur:a) Verplicht:
  • H. van Dongen & J.L.F. Gerding, Het voertuig van de ziel. Het fijnstoffelijk lichaam; beleving, geschiedenis en onderzoek Deventer, 1993
  • Reader, Zijnsleer: over dualisme en pluralisme (H. Boswinkel) [?]
b) Aanbevolen:

  • L. Dossey, Voorbij het lichaam Deventer, 2000
  • J.J. Poortman, Ochêma, geschiedenis en zin van het hylisch pluralisme. Deel I Assen, 1954. Uitg. van Gorcum
  • J.J. Poortman, Ochêma, geschiedenis en zin van het hylisch pluralisme. Deel II Assen, 1958
  • J.J. Poortman, Ochêma, De zin van het hylisch pluralisme: deel VI-A, Historische samenvattingen; deel VI-B, Fenomenologische dwarsdoorsneden; deel VI-C, De waarheid van het hylisch pluralisme; deel VI-D, Enige perspectieven. Assen, 1967
  • H.J. Storig, Geschiedenis van de filosofie. Deel I Utrecht, 2000 (pgs. 111-224)
 VERGELIJKENDE SPIRITUALITEITSTUDIES
De studenten maken kennis met de verschillende vormen van spiritualiteit en de relatie tussen de geleefde spiritualiteit en vormen van spiritualiteit binnen religieuze bewegingen. Bijzondere aandacht wordt besteed aan de gnostiek en het esoterisch christendom en de daaraan verwante stromingen in de Westerse cultuur en religiegeschiedenis.
Module:Esoterisch christendom (2VSS2)
Omvang:6 EC
Docent:Drs. J. Slavenburg
Doelstelling:De student verkrijgt kennis van de vergeten wortels van onze christelijke cultuur en inzicht in de hoofdlijnen uit de geschiedenis van de christelijke spiritualiteit en de daaraan verwante stromingen in de Westerse- esoterische traditie en religiegeschiedenis.
Inhoud:Om huidige (religieuze) zingevingsystemen te kunnen begrijpen moet je het verleden kennen. Welke verborgen ontwikkelingen heeft het Christendom doorgemaakt? Wat bracht hen samen, maar vooral wat hield en houdt hen verdeeld? We behandelen teksten en stromingen van o.a. Nag-Hammadi, Marcion en de Katharen. Een bijzondere invalshoek is de betekenis van de gnostisch-christelijke wereldreligie van het maniche%uFFFDsme.
Werkvormen:Hoor- en discussiecollege.
Toetsvorm:Het maken van een kort werkstuk waarin de theologische positie van de student duidelijk wordt.
Literatuur:
  • Vertaald en ingeleid door J. Slavenburg en W.G. Gloudemans, De Nag-Hammadi-geschriften Deventer, 2007
  • J. Slavenburg, Inleiding tot het esoterisch christendom Deventer, 2005
  • J. Slavenburg, De vrouw die Jezus liefhad; Maria Magdalena, het ontkende mysterie Zutphen, 2007 (2e-druk)
  • J. Slavenburg (red.), Het grote boek der apocriefen Deventer, 2009
Module:Religieuze bewegingen (3VSS3)
Omvang:7 EC
Docent:Drs. J. Slavenburg
Doelstelling:De student verkrijgt kennis van diverse religieuze bewegingen en de geschiedenis van deze bewegingen, verschillende vormen van spiritualiteit binnen de religieuze contexten en inzicht in het samengaan van spiritualiteit en zingeving.
Inhoud:In deze module wordt de ontwikkeling van de Westerse spiritualiteit in kaart gebracht door het volgen van belangrijke religieuze bewegingen. Achtereenvolgens komen aan de orde; Theosofie, Antroposofie, Moderne Rosenkruisbewegingen , Vrijmetselarij en het denken van Gurdjieff en P.D. Ouspensky.
Werkvormen:Hoor- en discussiecollege.
Toetsvorm:Kort werkstuk met inhoud een vergelijking van twee religieuze bewegingen
Literatuur:a) Verplicht:
  • J. Slavenburg, De geheime woorden Deventer, 2005 (5e druk)
  • J. Slavenburg, De Hermetische schakel Deventer, 2003
b) Aanbevolen:

  • W.J. Hanegraaff, New Age Religion and Western Culture; Esotericism in the Mirror of Secular Thought Leiden, 1996
Module:Jungiaanse psychologie en Religie (4VSS4)
Omvang:6 EC
Docent:Drs. J. Slavenburg
Doelstelling:De student verkrijgt inzicht in toepassingsmogelijkheden van de Jungiaanse psychologie en religie in het werkveld van zingeving
Inhoud:Waar Freud religie als een obstakel zag voor de geestelijke gezondheid, formuleert C.G. Jung een eigen theorie op het terrein van religie en religieus ervaren. Aandacht wordt geschonken aan het leven en werk van C.G. Jung en de samenhang tussen Jungiaanse psychologie en religie
Werkvormen:Hoor- en discussiecollege.
Toetsvorm:Het maken van een kort werkstuk
Literatuur:a) Verplicht:
  • C.G Jung, herinneringen - dromen - gedachten Rotterdam, 1992 (5e-druk)
b) Aanbevolen:

  • C.G Jung, Antwoord op Job Rotterdam, 1998
  • Rudolf Otto, Het heilige Amsterdam 2002
  • C.G. Jung, Westers bewustzijn, Oosters inzicht Rotterdam, 1998 (3e-druk)
 THERAPEUTISCHE GESPREKSVOERING
De student verkrijgt kennis van en inzicht in de toepassingsmogelijkheden van therapeutische gespreksvoering in het werkveld van de geestelijke gezondheidszorg. Aan de orde komen (o.a.) de theorie rondom feedback, observatie, groepsdynamica en gespreksvaardigheden. Rollenspelen, gespreksvorm, opdrachtvorm.
Module:Het helpende gesprek (2TGV2)
Omvang:6 EC
Docent:Drs. H. Rost
Doelstelling:Het ontwikkelen van verschillende gespreksvaardigheden die van belang zijn in de beroepspraktijk van de zingevingtherapeut en het gesprek kunnen analyseren op het gebruik van deze vaardigheden.
Inhoud:Aandacht zal worden besteed aan de eigen subjectieve invulling van het contact met clienten in het algemeen en de theorie en praktijk in het bijzonder. Aan de orde komen de clientgerichte benadering (C. Rogers), het gespreksmodel (G. Egan), luistervaardigheden (Dillon) en regulerende vaardigheden (De Groot).
Werkvormen:Practicum; rollenspel, gespreksvormen. De verschillende gesprekstechnieken worden besproken, geobserveerd en geoefend in kleine groepen.
Toetsvorm:Praktijkopdrachten (aanwezigheidsplicht!).
Literatuur:a) Verplicht:
  • G. Lietaer, G. van Aerschot, J. Snijders, R.J. Takens (Red.),, Handboek gesprekstherapie Utrecht, 2008
  • G. Lang, & H.T. van der Molen, Psychologische gespreksvoe- ring: een basis voor hulpverlening. Baarn, 1992
b) Aanbevolen:

  • G. Egan, Deskundig hulpverlenen. Een model, vaardigheden en methoden Assen, 1997
  • J. Stevens, In gesprek met een ander Apeldoorn, 1990
  • M. van Kalmthout, Psychotherapie en de zin van het bestaan Amsterdam, 2007
  • H. Kirschenbaum & L. Henderson (Eds), The Carl Rogers Rea- der London, 1990
 MEDISCHE SOCIOLOGIE
Besproken worden enkele belangrijke paradigma’s en thema’s van de sociale (medische) wetenschappen over de aard en organisatie van de (complementaire) gezondheidszorg zoals de sociaal-historische ontwikkelingen, de kwaliteit en organisatie van het zorgsysteem, hulpverleningsrelaties en het proces van professionalisering van de diverse beroepsgroepen.
Module:Organisatie Nederlandse gezondheidszorg (2MSO1)
Omvang:6 EC
Docent:Dr. mr. A.F.M. Dekkers
Doelstelling:De studenten verkrijgen kennis en inzicht in de organisatie van de gezondheidszorg en maatschappelijke dienstverlening in Nederland, het beroepsprofiel, het juridische karakter van de therapeutische relatie en is in staat dit in het eigen beroepsmatige handelen te verwerken.
Inhoud:In deze module besteden we aandacht aan de organisatie van de Nederlandse gezondheidszorg en vormen van hulpverlening. In het bijzonder wordt aandacht besteed aan het ontwikkelen van een individueel beroepsprofiel, de specialisatie en samenwerking 1e en 2e lijn; het case- en disease-management
Werkvormen:Hoor- en werkcollege, opdrachtvormen.
Toetsvorm:Door docent nader in te vullen
Literatuur:a) Verplicht:
  • J.M.D. Boot, Organisatie van de gezondheidszorg Assen, 2007
b) Aanbevolen:

  • C. Aakster, Medische sociologie Groningen, 2005
 METHODISCHE GESPREKSVOERING

Zingevingtherapie is een professionele vorm van begeleiding van mensen. Van zingevingtherapeuten mag derhalve professionele kwaliteit worden verwacht. Dit houdt in, dat de therapeut de relatie communicatief en inhoudelijk vorm weet te geven op een wijze die recht doet aan de vraag van degene die begeleid wordt en die past binnen de doelstellingen en mogelijkheden van de zingevingtherapie

Een van de aspecten van professionele kwaliteit is het methodisch kunnen werken met cliënten. Onder een methodiek kan worden verstaan een 'geheel van een visie en een daarmee samenhangende werkwijze'. In deze module wordt enerzijds het fenomeen methodiek geproblematiseerd, anderzijds wordt een methodiek aangeboden die past bij de praktijk van de zingevingtherapeut. Methodiek is een multi-dimensioneel begrip. Bij methodisch handelen gaat het om een inhoudelijke visie van waaruit de vragen en verhalen van cliënten benaderd worden, om een passende, op die visie afgestemde wijze van communicatie en om een bij de aard van het werk passende houding.

Het accent van deze module ligt op de inhoudelijk visie (de benadering van vragen en verhalen van cliënten als zingevingvragen en existentiële thema's) en op de communicatieve dimensie (de cliëntgerichte gespreksvoering). Daarnaast zullen enkele algemene thema's van gespreksvoering, gericht op het inrichten en instandhouden van een werkrelatie, de revue passeren.

Module:Methodische en clientgerichte gespreksvoering (3MGV1)
Omvang:10 Ects
Docent:Dra. I.T Tuinman
Doelstelling:Het leren van proces- en clientgerichte gespreksvoering, het realiseren van gerichtheid op zingeving en existentie en het leren werken met casuistiek.
Inhoud:Aandacht wordt geschonken aan benadering van de thematiek in termen van het model van zingeving of dat van de existentiele benadering. Methodiek ontwikkelen en leren is ondenkbaar zonder casuistiek. Casuistiek neemt in de onderlinge communicatie tussen professionals een eigen plaats in. Het gebruik van casuistiek is het tweede (alhoewel secundaire thema) van deze module. Vragen die aan de orde komen zijn o.a. hoe casuistiek kan fungeren in processen ter bevordering van professionele bekwaamheid en op welke wijze casuistiek kan worden opgebouwd. Voor het schrijven van casuistiek, gericht op beroepspraktijken waarin persoonlijke zingeving centraal staat, wordt een model gepresenteerd.
Werkvormen:Hoor- en werkcollege: bespreken van casuistiek; gespreksvormen, rollenspel, opdrachtsvorm. Regelmatig zullen oefenopdrachten worden gegeven ter voorbereiding op de volgende bijeenkomst.
Toetsvorm:Werkopdracht: methodische reflectie op een gesprek.
 ETHIEK VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
In de (geestelijke)gezondheidszorg vallen beslissingen die vérstrekkende gevolgen hebben voor het leven en sterven van mensen. Behandeld wordt het eigen karakter van de ethische vraagstellingen omtrent aard, oorsprong en doel van het menselijk leven, alsmede enkele begrippen en theorieën uit de toegepaste ethiek die betrekking hebben op leven en dood. De student oriënteert zich in de huidige stand van de ethische discussie rondom euthanasie en kwaliteit van leven en sterven.
Module:Ethische discussie rond leven en dood (3EGZ1)
Omvang:7 EC
Docent:Prof. dr. J.P. Wils
Doelstelling:Het verkrijgen van kennis en inzicht in het eigen karakter van de ethische vraagstellingen omtrent aard, oorsprong en doel van het menselijk leven, alsmede enkele begrippen en theorieen uit de toegepaste ethiek die betrekking hebben op leven en dood.
Inhoud:De student orienteert zich in de huidige stand van de ethische discussie rondom euthanasie, kwaliteit van leven en sterven, het communiceren en argumenteren over deze aspecten, het organiseren van deze communicatie en het afronden van deze processen in beslissingen of adviezen. De weg naar bespreekbaarheid op ethische vragen uit die discussie gaat via de wijsgerige ethiek.
Werkvormen:Hoor- en discussiecollege.
Toetsvorm:Door docent nader in te vullen.
Literatuur:a) Verplicht:
  • J.P. Wils, Sterben. Zur Ethiek der Euthanasie Paderborn, 1999, of Nederlandse vert.: Euthanasie. Naar een ethiek van het sterven.
b) Aanbevolen:

  • H. Dupuis, Goed te leven, reflecties op de moraal Kampen, 1993
  • H. Kuitert, Mag alles wat kan? Ethiek en medisch handelen. [?]
 GEZONDHEIDSRECHT EN BEDRIJFSVOERING
Het zelfstandig ondernemerschap in de (geestelijke)gezondheidszorg staat centraal. Aandacht wordt besteed aan het managen van een beroepspraktijk, het verwerven van een therapeutische basishouding, de beroepsattitude en het verkrijgen van kennis over wetgeving die het maatschappelijk kader aangeeft waarbinnen het verantwoord en geoorloofd therapeutisch handelen zich afspeelt.
Module:Gezondheidsrecht (3GBV1)
Omvang:7 EC
Docent:Dr. mr. A.F.M. Dekkers
Doelstelling:Het verkrijgen van kennis en inzicht in de wettelijke en juridische kaders van het gezondheidsrecht en uitvoeringsregelingen van het verzekeringsstelsel waarbinnen de zingeving therapeut functioneert.
Inhoud:Behandeld worden de wettelijke kaders die betrekking hebben op de wetgeving van de Nederlandse gezondheidszorg o.a. de Wet Geneeskundige Behandel-Overeenkomst (WGBO), de Wet Beroepsuitoefening Individuele gezondheidszorg (Wet BIG), de Wet Bescherming Persoonsgegevens (WBP) en het medisch tuchtrecht. Aandacht wordt besteed aan de uitvoeringsregelingen van het verzekeringsstelsel, de rechtspositie van de therapeut, de aansprakelijkheid en het klachtrecht in de zorg, de rechtspositie van de patient en patientenvoorlichting. In het bijzonder aan de uitvoeringsregelingen en de werkwijze van het verzekeringsstelsel, de rechtspositie van de therapeut, de beroepscode en kwaliteitsnormen, de rechtspositie van de patient (patientenrecht en patientenvoorlichting) en de behandelingsovereenkomst.
Werkvormen:Hoor- en werkcollege
Toetsvorm:Schriftelijk tentamen van 90 minuten
Literatuur:
  • F. Beumer, Recht voor professionals in de zorg Groningen, 2010
Module:Bedrijfsvoering en management (4GBV3)
Omvang:5 EC
Docent:Dr. mr. A.F.M. Dekkers
Doelstelling:Het verkrijgen van kennis en inzicht in bedrijfseconomische aspecten voor het opzetten en uitvoeren van een praktijk.
Inhoud:In deze module staat het opzetten en uitvoeren van een praktijk centraal. Aandacht wordt besteed aan de marktwerking, het bedrijfsprofiel en samenwerkingsverbanden. Bijzondere aandacht wordt besteed aan de organisatorische opzet, de basisbegrippen van marketing en management, verantwoorde praktijkvoering en de vereisten voor maatschappelijke acceptatie via een beroepsvereniging.
Werkvormen:Hoor- en werkcollege
Toetsvorm:Het houden van een referaat en het schrijven van een paper.
Literatuur:
  • R. Grit, Zo maak je een ondernemersplan Groningen, 2008
 INTER- EN GROEPSSUPERVISIE
Module:INTER- EN GROEPSSUPERVISIE (4GSV1)
Omvang:4 EC
Docent:Dr. W. Smeets (Centrum Klinisch Pastorale Vorming, Radboud Universiteit Nijmegen)
Doelstelling:De student verdiept zich in het eigen functioneren en het ontwikkelen van een persoonlijke en professionele identiteit.
Inhoud:Bespreking van werkverslagen uit de stage; theoretische verheldering.
Werkvormen:Hoor- en responsiecollege, verbatum analyse
Toetsvorm:Beoordeling van het eindverslag.
Literatuur:
  • H.J. Zier, Voor het eerst supervisie Groningen, 1988
 VERLIES-, ROUW-, STERVENSBEGELEIDING
Onder stervensbegeleiding en verlies en rouwbegeleiding verstaat men het geheel van acties die een situatie, een gebeurtenis of de laatste levensdagen voor een patiënt draaglijker kunnen maken. Het gaat hier om het kunnen uitvoeren van specifieke ondersteunende rituelen en vaardigheden bij verlies en rouw situaties en het levenseinde.
Module:Inleiding stervensbegeleiding, verlies en rouw (4STB1)
Omvang:5 EC
Docent:Drs. A. Polspoel
Doelstelling:Het verkrijgen van inleidende kennis, inzicht en vaardigheden in het begeleiden van verlies- en rouwsituaties en zorg voor stervenden.
Inhoud:In deze module wordt aandacht besteed aan het begeleiden van stervenden en de aspecten van het verlies- en rouwproces. Het gaat hier om het kunnen uitvoeren van specifieke onder steunende rituelen en vaardigheden bij verlies, rouw situaties en het levenseinde.
Werkvormen:Prakticum
Toetsvorm:Door docent nader te bepalen
Literatuur:a) Verplicht:
  • A. Polspoel, Eenzaam sterven Kampen, 2007;
  • A. Polspoel, Wenen om het verloren ik Kampen, 2007;
  • R. Zeylmans, Stervensbegeleiding een wederzijds proces. Driebergen 2008;
b) Aanbevolen:

  • E. Kubbler-Ross, De cirkel van het leven. Baarn, 1997;
  • E. Kubbler-Ross, Dood. Het laatste stadium van innerlijke groei. Baarn, 1976;
  • E. Kubbler-Ross, Lessen voor levenden; gesprekken met stervenden. Baarn, 1998. Pgs. 48 - 140;
  • J. Enkelaar, Terminus. Apeldoorn, 1999;
  • H. Buijssen & R. Bruntink (red.), Eind goed, allen goed? Oog voor zorgenden in de palliatieve zorg. Nijmegen, 2003;
  • K. Leget, Van levenskunst tot stervenskunst. Den Haag, 2008;
  • M. de Hennezel, De intieme dood, levenslessen van stervenden (vert. van La mort intime, Paris 1995). Bloemendaal, 1996;
  • W. Huizing, Zorg rondom het levenseinde. Kampen, 2000;
  • T. Heisen, De dood nabij. Omgaan met ziekte en rouwverwerking. Kampen, 1993;
  • David Kessler, Het recht om waardig te sterven. Deventer, 1998;
  • E. Luijendijk, Omdat de dood niet het laatste woord heeft. Rituelen bij begraven en cremeren. Kampen, 1997;
  • A. Roquas, Sterven kan ook anders. Deventer, 1994;
  • R. Buckman, Ik weet niet wat ik zeggen moet. Een handreiking. Baarn, 1992;
  • A. D. Weisman, De dood nabij. Een psychiatrische studie over het levenseinde. Baarn, 1972;
  • L. St. Aubyn, Bewust streven. Spiritueel omgaan met de dood. Deventer, 1994;
  • P.I. Veenstra, Als de dood aanstaande is. Een handreiking in de omgang met stervenden. Zoetermeer, 1997;
  • E. Plantier, Vragen rond de dood. Geestelijke oefeningen in navolging van Elisabeth Kübler-Ross. Kampen, 1997;
  • J.J. Poort, Morgen kunnen we u meer vertellen. Hoop en wanhoop in het ziekenhuis. Houten, 1992;
  • M. Steemers van Winkoop, Geloven in leven. Assen, 2003;