Religiestudies
Hoofdfase
De hoofdfase van de opleiding Religiestudies wordt gevormd door het 2e, 3e en 4e studiejaar.
Studieprogramma hoofdfase
WERELDGODSDIENSTEN| Module | : | Islam (2WG2) |
| Omvang | : | 6 EC |
| Docent | : | Prof. dr. J.J.G. Jansen |
| Doelstelling | : | De student verkrijgt kennis van en inzicht in de hoofdlijnen van de ontstaansgeschiedenis en expansie van de Islam en zijn belangrijkste religieuze stromingen. |
| Inhoud | : | Aandacht wordt besteed aan de ontstaansgeschiedenis, expansie en aspiraties, de figuur van Mohammed en de koran, de verschillende religieuze richtingen en de religieuze praktijken (de sharia). Bijzondere aandacht wordt besteed aan de verschillende aspecten van het islamitische fundamentalisme. Daarnaast wordt de relatie tot het jodendom, het christendom en de niet-moslims in het algemeen besproken. |
| Werkvormen | : | Hoor- en werkcollege. |
| Toetsvorm | : | Schriftelijk tentamen van 100 minuten. |
| Literatuur | : | a) Verplicht:
- J.J.G. Jansen, Nieuwe inleiding tot de Islam. Hilversum, 2006;
- N. Smart, Godsdiensten van de wereld Kampen, 2003;
b) Aanbevolen:
- J. Waardenburg, Islam, norm, ideaal en werkelijkheid. Weesp, 1994.
|
| Module | : | Hindoeïsme (3WG3) |
| Omvang | : | 6 EC |
| Docent | : | Drs. H. Boswinkel |
| Doelstelling | : | Het verkrijgen van elementaire kennis van de ontstaansgeschiedenis van het hindoeïsme. Inleidende kennis van de geschriften, de praktijk en de actualiteit van het hindoeïsme. Inzicht in de belangrijkste aspecten van de volksreligiositeit. |
| Inhoud | : | Overzicht van de ontstaansgeschiedenis van het hindoeïsme; de historische ontwikkelingen, de religieuze concepten, godengestalten en religieuze praktijken, een overzicht van de belangrijkste religieuze geschriften en religieuze stromingen. Bijzondere aandacht wordt besteed aan het Confucianisme en het Taoïsme. |
| Werkvormen | : | Hoor- en discussiecollege. |
| Toetsvorm | : | Schriftelijk tentamen van 100 minuten. |
| Literatuur | : | - L.P. van den Bosch, Inleiding in het Hindoeïsme (katern Levende Godsdiensten 1, 2). Kampen, 1990
- A.M.C. van Dijk, Hindoeïsme in Nederland Damon, 1999.
- A. Nugteren, Hindoeïsme. Heden en verleden. Leuven/Apeldoorn, 1992
- N. Smart, Godsdiensten van de wereld. Kampen, 2003
|
| Module | : | Boeddhisme (4WG4) |
| Omvang | : | 6 EC |
| Docent | : | Drs. H. Boswinkel |
| Doelstelling | : | Het verkrijgen van elementaire kennis van de ontstaansgeschiedenis van het boeddhisme, inleidende kennis van de geschriften, de praktijk en de actualiteit van het boeddhisme en het levensverhaal van Boeddha. |
| Inhoud | : | Overzicht van de ontstaansgeschiedenis van het boeddhisme; de historische ontwikkelingen, de religieuze concepten, godengestalten en religieuze praktijken. Aandacht wordt besteed aan Boeddha%u2019s verlossingsleer en de daarin voorkomende leringen. |
| Werkvormen | : | Hoor- en discussiecollege |
| Toetsvorm | : | Schriftelijk tentamen van 100 minuten. |
| Literatuur | : | - M. van den Boom & L.. Minnema, Boeddhisme. Kampen, 2000.
- N. Smart, Godsdiensten van de wereld. Kampen, 2003
|
GODSDIENSTWETENSCHAPPEN
Het verkrijgen van kennis en inzicht van de gehanteerde begrippen,
uitgangspunten en werkwijze van de godsdienstwetenschappen. Kennis van en
inzicht in de verbanden tussen theologische, filosofische, psychologische en
sociaal wetenschappelijke studie van godsdiensten. Bestudeerd worden
godsdienstige stromingen, mens- en godsbeelden.
| Module | : | Scheppingsmythen (2GW2) |
| Omvang | : | 5 EC |
| Docent | : | Drs. J. Slavenburg |
| Doelstelling | : | Het verkrijgen van kennis en inzicht in het axioma van de scheppingsmythen en godsbeelden uit de oudheid en de historische wetmatigheden van die mythen in de wereldgodsdiensten. |
| Inhoud | : | Het raadsel hoe de wereld is ontstaan wordt verwoord in de scheppingsverhalen. Zo is voor een aantal mensen het scheppingsverhaal in Genesis een letterlijk feit, voor anderen een mythe en verzinsel. In deze module We gaan we op zoek naar de historische wetmatigheden, de psychische metaforen en de plaats van die mythen in de grote wereldreligies. Aandacht wordt besteed aan het universele axioma van de scheppingsmythologie en het scheppingsmodel van o.a. het oude Egypte, Babylon. Mesopotamië, Sumerië en de Hebreeuwse teksten. Bijzondere aandacht wordt besteed aan het Gilgamesj-epos, de Enuma Elisj en de theorie van de Amerikaanse onderzoeker Zecharia Sitchin. |
| Werkvormen | : | Hoor- en discussiecollege. |
| Toetsvorm | : | Take-home tentamen. |
| Literatuur | : | a) Verplicht:
- S. Schepel, Elisj; het Babylonische scheppingsverhaal Deventer, 2002
- G. Hamming, Het Sumerisch testament. Wat is de werkelijkheid van Genesis? Utrecht, 2008
- R.J. Stewart, Scheppingsmythen Baarn, 1989
- Reader, Genesis (H. Boswinkel)
- J.Slavenburg en J.van Schaik, Westerse esoterie en Oosterse wijsheid Deventer 2010.
b) Aanbevolen:
- A. Tolmann en E. Kristan, De zondvloed, van mythe tot historische werkelijkheid Baarn, 1993
- R. David, Religion and Magic in Ancient Egypt London, 2002
- T. de Feyer, Gilgamesjh; een zoektocht naar onsterfelijkheid Zeist, 1991
|
| Module | : | Christologie (3GW3) |
| Omvang | : | 5 EC |
| Docent | : | Prof. dr. C.J. den Heyer |
| Doelstelling | : | De student verkrijgt kennis van en inzicht in de problemen en mogelijkheden van het onderzoek naar de historische Jezus, de centrale plaats van Jezus Christus in de theologie en het trinitarisch dogma. |
| Inhoud | : | In geen wereldreligie staat een persoon zo centraal als in het christendom. Dat kan in het interreligieuze gesprek voor christenen en voor niet- christenen aanzienlijke problemen opleveren. Was Jezus Christus het enige woord van God, misschien zelfs waarlijk God, of is hij gewoon een mens en voorbeeld van humaniteit? In deze module besteden we aandacht aan de historische persoon van Jezus van Nazareth als uitgangspunt van Christologie. Presentatie en confrontatie met de gevolgen van enkele Christologische ontwerpen. |
| Werkvormen | : | De grote lijnen worden in hoor- en discussiecolleges besproken. De studenten werken enkele details zelf uit en presenteren hun bevindingen in korte referaten. |
| Toetsvorm | : | Werkstuk met een omvang van 10 pgs. en referaat. |
| Literatuur | : | a) Verplicht:
- C.J. den Heyer, Opnieuw: Wie is Jezus? Balans van 150 jaar onderzoek naar Jezus. Zoetermeer, 1996;
- C. J. den Heyer, Verzoening. Bijbelse notities bij een omstreden thema. (Met toegevoegd hoofdstuk: Een jaar later) Baarn, 2001;
- Albert Schweitzer, Jezus; Capita selecta uit Schweitzers theologie. Samengesteld en ingeleid door C.J.den Heyer. Den Haag, 1981
b) Aanbevolen:
- E. Schillebeeckx, Mensen als verhaal van God Baarn, 1989;
- J.D. Crossan, Jezus. Een revolutionaire biografie. Amsterdam, 1994;
- R. Stark, De eerste eeuwen. Een sociologische visie op het ontstaan van het christendom. Baarn, 1998;
- G.P. Luttikhuizen, De veelvormigheid van het vroegste Christendom. Delft, 2002;
- A.F.J. Klijn, Jezus in de apocriefe evangeliën. Kampen, 1999
- J. Klink, De onbekende Jezus. Baarn, 1996;
- H.M. Kuitert, Jezus: nalatenschap van het christendom. Baarn, 1998
- F. Cuvelier, Jezus mysticus. Kapellen, 1990;
- D. Flusser, Jezus, een joodse visie. Hilversum, 2001.
|
| Module | : | Godsdienstige stromingen (4GW4) |
| Omvang | : | 6 EC |
| Docent | : | Drs. H. Boswinkel |
| Doelstelling | : | De student verkrijgt kennis van de in Nederland voorkomende godsdienstige en levensbeschouwelijke stromingen. |
| Inhoud | : | De religieuze kaart van Nederland. Aandacht wordt besteed aan bewegingen zoals Jehova Getuigen, Baptisten, Noorse broeders, 7e dags adventisten en Pinkstergemeente. Daarnaast zal aandacht besteed worden aan theorie%uFFFDn en aspecten van eindtijdverwachtingen. |
| Werkvormen | : | Hoor- , discussie-, en werkcollege. |
| Toetsvorm | : | Het houden van een referaat en een maken van een werkstuk van %uFFFD 15 pgs. over een zelfgekozen godsdienstige stroming. |
| Literatuur | : | a) Verplicht:
- E. Barker & R. Singelenberg, Nieuwe religieuze bewegingen. Een praktische inleiding. Kampen, 1996.
b) Aanbevolen:
- B. van Gelder en E.G. Hoekstra, Spoorzoeken. Kampen, 2004;
- H. Knippenberg, De Religieuze Kaart van Nederland. Assen, 1992;
- E.G. Hoekstra en M.H. Ipenburg, Wegwijs in religieus en levensbeschouwelijk Nederland. Kampen, 2000.
|
BIJBELWETENSCHAPPENAan de orde komen vragen rond het ontstaan van de bijbel als in de geschiedenis geworden literatuur. De student verkrijgt inzicht in de ontstaansgeschiedenis van de bijbel en maakt kennis met enkele wetenschappelijke methoden van uitleg, interpretatie en benaderingswijzen.
| Module | : | Oude Testament 2 (2BW2) |
| Omvang | : | 6 EC |
| Docent | : | Prof. dr. C.J. den Heyer |
| Doelstelling | : | Het verkrijgen van elementaire kennis van de geschriften van het Oude Testament. |
| Inhoud | : | Een nadere kennismaking met de geschiedenis van het Oude Testament. |
| Werkvormen | : | Hoor- en werkcollege met ruimte voor eigen inbreng. |
| Toetsvorm | : | Door docent nader te bepalen |
| Literatuur | : | - Bijbelvertaling naar keuze;, [?] [?]
- H. Jagersma en M. Vervenne (red.), Inleiding in het Oude Testament. Kampen, 1992;
- A.S. van der Woude (red.), Bijbels Handboek deel 2a Kampen, 1990.
|
| Module | : | Nieuwe Testament 1 (3BW3) |
| Omvang | : | 7 EC |
| Docent | : | Prof. dr. C. J. den Heyer |
| Doelstelling | : | kennis van en inzicht in het ontstaan van het Nieuwe Testament en de geschiedenis van het nieuwtestamentisch tijd vak. De student maakt kennis met enkele wetenschappelijke benaderingswijzen van het Nieuwe Testament. |
| Inhoud | : | inleiding in de synoptische evangeliën, inleiding in de wetenschappelijke benaderingswijzen en het synoptisch probleem. |
| Werkvormen | : | hoor- en discussiecollege. |
| Toetsvorm | : | schriftelijk tentamen van 100 minuten |
| Literatuur | : | - Bijbelvertaling naar keuze;, [?] [?]
- A.F.J. Klijn, C.J. den Heyer (e.a.), Inleiding tot de studie van het Nieuwe Testament; Kampen, 1982
|
| Module | : | Nieuwe Testament 2 (4BW4) |
| Omvang | : | 5 EC |
| Docent | : | Prof. dr. C. den Heyer |
| Doelstelling | : | De student maakt kennis met de aard van de briefliteratuur en het ontstaan en ontwikkeling van de eerste gemeenten. |
| Inhoud | : | Het Nieuwe Testament: inleiding in de Handelingen der Apostelen, de Paulinische
briefliteratuur, Johanneïsche literatuur, Paulus en zijn gemeente, de Jeruzalemse
Gemeente en de briefvorm in het Nieuwe Testament. |
| Werkvormen | : | hoor- en discussiecollege. |
| Toetsvorm | : | door docent nader te bepalen |
| Literatuur | : | - Bijbelvertaling naar keuze;, [?] [?]
- A.F.J. Klijn, C.J. den Heyer e.a., Inleiding tot de studie van het Nieuwe Testament Kampen, 1982;
- C.J. den Heyer, Paulus. Man van twee werelden. Zoetermeer, 1998;
- G.P. Luttikhuizen, Op zoek naar de samenhang van Paulus gedachten. Kampen, 1990;
|
GESCHIEDENIS VAN HET CHRISTENDOMOverzicht van de ontstaansgeschiedenis van het christendom met het accent op de groei van deze religie tot wereldgodsdienst. Inzicht in de positie van de kerkgeschiedenis als onderdeel van de godsdienstwetenschappen. Aan de orde komen de belangrijkste achtergronden en inhouden van de geschiedenis van de (oude) kerk en Christendom. Aandacht zal (o.a.) worden besteed aan: Ketterse bewegingen, Dogmageschiedenis, het Protestantisme, de Catholica, de Reformatie en Contra-reformatie.
| Module | : | Middeleeuws Christendom en Reformatie (2KG2) |
| Omvang | : | 6 EC |
| Docent | : | Dr. J.L.M. van Schaik |
| Doelstelling | : | Kennis van en inzicht in de belangrijkste achtergronden en inhouden van de geschiedenis van de kerk in de middeleeuwen en in de tijd van de reformatie. |
| Inhoud | : | Ruime aandacht zal worden besteed aan de middeleeuwse bewegingen en de
verhouding tussen kerk en staat. Verder wordt het tijdperk van renaissance en
humanisme bestudeerd. Met betrekking tot de reformatiegeschiedenis zal aandacht
geschonken worden aan Luther, Zwingli, Calvijn. Uit de Nederlandse kerkgeschiedenis wordt de moderne devotie behandeld. |
| Werkvormen | : | hoorcollege, gespreksvorm, opdrachtsvorm. |
| Toetsvorm | : | een schriftelijk tentamen van 100 minuten. Het schrijven van een paper. |
| Literatuur | : | - A.J. Jelsma, Handboek van de geschiedenis van het christendom. Den Haag, 1979;
- O.J. de Jong, Nederlandse kerkgeschiedenis. Nijkerk;
- P. Nissen en N. van den Akker, Wegen en dwarswegen. Tweeduizend jaar christendom in hoofdlijnen. Amsterdam, 1999;
|
| Module | : | Christendom van de negentiende eeuw (3KG3) |
| Omvang | : | 7 EC |
| Docent | : | Dr. J.L.M. van schaik |
| Doelstelling | : | De student verkrijgt kennis van en inzicht in de belangrijkste achtergronden en inhouden van de kerkgeschiedenis van de negentiende en twintigste eeuw. |
| Inhoud | : | De invloed van een eeuw van revoluties wordt nagegaan. De theologie onder invloed van de sociaal- en existentiefilosofie zal voorwerp van studie zijn. Voor de Nederlandse kerkgeschiedenis wordt aandacht besteed aan kerkscheuringen als afscheiding en doleantie. Uit de roomskatholieke kerkgeschiedenis worden concillies
van vaticanum I of II bestudeerd. |
| Werkvormen | : | hoor- en werkcollege |
| Toetsvorm | : | werkstuk |
| Literatuur | : | - A.J. Jelsma, Handboek van de geschiedenis van het christendom. Den Haag, 1979;
- O.J. de Jong, Nederlandse kerkgeschiedenis Nijkerk;
- Boudens,, Momentopnamen uit de geschiedenis van de katholieke kerk. Kampen;
- A.J. Rasker, De Nederlandse Hervormde kerk vanaf 1795. Kampen, 1974;
- - P. Nissen en N. van den Akker, Wegen en dwarswegen. Tweeduizend jaar christendom in hoofdlijnen. Amsterdam, 1999.
|
| Module | : | Christendom van de twintigste eeuw (4KG4) |
| Omvang | : | 5 EC |
| Docent | : | Dr. J. van Schaik |
| Doelstelling | : | De student verkrijgt kennis van en inzicht in de belangrijkste achtergronden en
inhouden van de kerkgeschiedenis van de twintigste eeuw. |
| Inhoud | : | Het optimisme van het denken van de negentiende eeuw en de ontgoocheling aan
het begin van de twintigste eeuw wordt nader bekeken. Aandacht wordt besteed
aan het Reveil en modernisme. Bijzonder aandacht wordt besteed aan het ontstaan
van moderne christelijke bewegingen in een pluriforme samenleving. |
| Werkvormen | : | hoor- en werkcollege |
| Toetsvorm | : | werkstuk |
| Literatuur | : | - A.J. Jelsma, Handboek van de geschiedenis van het christendom. Den Haag, 1979;
- O.J. de Jong, Nederlandse kerkgeschiedenis Nijkerk;
- Boudens, Momentopnamen uit de geschiedenis van de katholieke kerk kampen
- A.J. Rasker, De Nederlandse Hervormde kerk vanaf 1795. Kampen, 1974;
- P. Nissen en N. van den Akker, Wegen en dwarswegen. Tweeduizend jaar christendom in hoofdlijnen. Amsterdam, 1999.
|
PSYCHOLOGIEAan de orde komen enkele elementaire beginselen van de godsdienst- en analytische psychologie. Thema’s die o.a. aan de orde komen zijn: de psychologische grondslag van de functies van religie, ontwikkeling- en humanistische psychologie.
| Module | : | Godsdienstpsychologie (2PSY2) |
| Omvang | : | 6 EC |
| Docent | : | Dra. A.K. Schuurman |
| Doelstelling | : | Het verkrijgen en ontwikkelen van een nieuwsgierig en neutraal observerend standpunt t.a.v. religieuze fenomenen. Kennis van en inzicht in religieuze verschijnselen, vanuit een biologische, cognitieve en sociaal culturele invalshoek. |
| Inhoud | : | De student kan huidige religieuze verschijnselen in een psychologisch kader interpreteren. Aandacht wordt besteed aan de psychologische grondslag en de functies van religie. |
| Werkvormen | : | hoor- en discussiecollege. |
| Toetsvorm | : | Take-home tentamen |
| Literatuur | : | a) Verplicht:
- J. van Saane, Religie is zo gek nog niet. Een introductie in de godsdienstpsychologie. Kampen, 2010
- Reader met verschillende artikelen (A.K. Schuurman), [?] [?]
b) Aanbevolen:
- P.E. Jongsma-Tieleman, Godsdienst als speelruimte voor verbeelding. [?]
|
| Module | : | Jungiaanse psychologie en Religie (4PSY3) |
| Omvang | : | 4 EC |
| Docent | : | Drs. J. Slavenburg |
| Doelstelling | : | De student verkrijgt inzicht in toepassingsmogelijkheden van de Jungiaanse psychologie en religie in het werkveld. |
| Inhoud | : | Waar Freud religie als een obstakel zag voor de geestelijke gezondheid, formuleert C.G. Jung een eigen theorie op het terrein van religie en religieus ervaren. Aandacht wordt geschonken aan het leven en werk van C.G. Jung en de samenhang tussen Jungiaanse psychologie en religie. |
| Werkvormen | : | Hoor- en discussiecollege. |
| Toetsvorm | : | Het maken van een kort werkstuk |
| Literatuur | : | a) Verplicht:
- C.G Jung, Herinneringen - dromen - gedachten. Rotterdam, 1992 (5e-druk)
b) Aanbevolen:
- C.G. Jung, Westers bewustzijn, Oosters inzicht. Rotterdam, 1998 (3e-druk)
- C.G Jung, Antwoord op Job. Rotterdam, 1998
- P. Vandermeersch, Over psychose, seksualiteit en religie. Het Freud-Jung debat. Nijmegen, 1992
- Rudolf Otto, Het heilige. Amsterdam 2002
|
MYSTIEKDe mystieke traditie geeft vorm aan de beschrijving van het proces dat aan de taal voorbijligt: het ervaren van de afstand tot God en het streven om deze afstand te overbruggen. Mystiek is etymologisch het verborgene. Hoe en waarom dan ook. Waar het verborgene ontbreekt, ontbreekt ook de mystiek. Het verschijnsel is echter zo breed en diep dat het zich door geen begrip laat omvatten.
| Module | : | Augustinus en het Manicheisme (2MS2) |
| Omvang | : | 6 EC |
| Docent | : | Dr. J.L.M. van Schaik |
| Doelstelling | : | Het verkrijgen van kennis en inzicht in de inhoud en ontwikkeling van de theologie en spiritualiteit van Augustinus. |
| Inhoud | : | De teksten van Augustinus behoren tot de klassiekers van de wereldliteratuur. Bijzondere aandacht wordt besteed aan de betekenis van de gnostich-christelijke
wereldreligie van het het Manicheisme bij Augustinus. |
| Werkvormen | : | hoorcollege |
| Toetsvorm | : | Door docent nader te bepalen |
| Literatuur | : | - Augustinus, Belijdenissen. Vert. door G. Wijdeveld. Baarn, 1985;
- J. van Oort, Augustinus. Facetten van leven en werk. Kampen 1991;
- J. van Oort, Jeruzalem en Babylon. Een onderzoek van Augustinus 2019 De stad van God en de bronnen van zijn leer der twee steden. Zoetermeer, 1995;
- J. van Oort, Augustinus 2019 Confessiones. Gnostische en christelijke spiritualiteit in een diepzinnig document. Turnhout, 2002;
- Augustinus, Ketters en scheurrmakers Budel, 2009.
|
| Module | : | Symbool en mythe (3MS3) |
| Omvang | : | 6 EC |
| Docent | : | vacature |
| Doelstelling | : | De studenten verkrijgen inzicht in de werking van het onbewuste bij het ontstaan van mythen en symbolen. |
| Inhoud | : | Grote klassieke filosofen en kerkvaders waren gevoelig voor de symbolische
werkelijkheid. In onze tijd heeft C.G. Jung een pleidooi gehouden voor dit symbolisch
bewustzijn. In deze module besteden we aandacht aan een aantal moderne, met
name dieptepsychologische inzichten omtrent symbolen en mythen. |
| Werkvormen | : | hoor- en discussiecollege. |
| Toetsvorm | : | mondeling tentamen aan de hand van collegestof en literatuurkeuze. |
| Literatuur | : | - T. van den Berk, Mystagogie. Inwijding in het symbolisch
bewustzijn Zoetermeer, 2003;
- J.Campbell, Mens, mythe en metafoor. Amsterdam, 1991;
- J. Campbell, Wat mythen ons vertellen Den Haag, 1991;
- J.Campbell, De held met de duizend gezichten Amsterdam, 1990;
- Joseph Campbell en Bill Moyers, Mythen & bewustzijn Houten, 1990;
- E. Drewermann, Dieptepsychologie en exegese. Droom,
mythe, sprookje, sage en legende Zoetermeer, 1991;
- C.G.Jung, De mens en zijn symbolen Rotterdam, 1992.
|
VERGELIJKENDE SPIRITUALITEITSTUDIESDe studenten maken kennis met de verschillende vormen van spiritualiteit en de relatie tussen de geleefde spiritualiteit en vormen van spiritualiteit binnen religieuze bewegingen. Bijzondere aandacht wordt besteed aan de gnostiek en het esoterisch christendom en de daaraan verwante stromingen in de Westerse cultuur en religiegeschiedenis.
| Module | : | Esoterisch christendom (2VSS2) |
| Omvang | : | 6 EC |
| Docent | : | Drs. J. Slavenburg |
| Doelstelling | : | De student verkrijgt kennis van de vergeten wortels van onze christelijke cultuur en inzicht in de hoofdlijnen uit de geschiedenis van de christelijke spiritualiteit en de daaraan verwante stromingen in de Westerse- esoterische traditie en religiegeschiedenis. |
| Inhoud | : | Om huidige religieuze stromingen te kunnen begrijpen moet je het verleden kennen. Welke verborgen ontwikkelingen heeft het Christendom doorgemaakt? Wat bracht hen samen, maar vooral wat hield en houdt hen verdeeld? We behandelen teksten en stromingen van o.a. Nag-Hammadi, Paulicianen, Bogomielen en Katharen. Een bijzondere invalshoek is de betekenis van de gnostisch-christelijke wereldreligie van het manicheisme, de Katharen en de Graalbeweging. |
| Werkvormen | : | Hoor- en discussiecollege. |
| Toetsvorm | : | Het maken van een kort werkstuk waarin de theologische positie van de student duidelijk wordt. |
| Literatuur | : | a) Verplicht:
- J.Slavenburg, Inleiding tot het esoterisch christendom Deventer, 2005;
- J.Slavenburg en J.van Schaik, Westerse esoterie en Oosterse wijsheid Deventer 2010.
b) Aanbevolen:
- J.Slavenburg (red.),, Het grote boek der apokriefen Deventer 2009.
- G.P. Luttikhuizen, De veelvormigheid van het vroegste Christendom. Delft, 2002.
|
| Module | : | Religieuze bewegingen (3VSS3) |
| Omvang | : | 6 EC |
| Docent | : | Drs. J. Slavenburg |
| Doelstelling | : | De student verkrijgt kennis van diverse religieuze bewegingen en de geschiedenis van deze bewegingen. |
| Inhoud | : | In deze module wordt de ontwikkeling van de Westerse spiritualiteit in kaart gebracht door het volgen van belangrijke religieuze bewegingen. Achtereenvolgens komen aan de orde; Theosofie, Antroposofie, Moderne Rosenkruisbewegingen en Vrijmetselarij. |
| Werkvormen | : | Hoor- en discussiecollege. |
| Toetsvorm | : | Kort werkstuk met inhoud een vergelijking van twee religieuze bewegingen. |
| Literatuur | : | a) Verplicht:
- J. Slavenburg, De Hermetische schakel Deventer, 2003
b) Aanbevolen:
- W.J. Hanegraaff, New Age Religion and Western Culture; Esotericism in the Mirror of Secular Thought. Leiden, 1996.
|
FILOSOFIEWe maken kennis met de Westerse- en Oosterse filosofie en literatuur, waarbij de ontwikkeling van posities worden verankerd in korte en langere tekstfragmenten van belangrijke filosofen. We behandelen grote periodes, grondideeën en thema’s uit de metafysica die voor religie en theologie een bijzondere relevantie hebben.
| Module | : | Het Verlichtingsdenken (3FIL1) |
| Omvang | : | 6 EC |
| Docent | : | Dra. T. van Ewijk |
| Doelstelling | : | De student verkrijgt kennis van en inzicht in werken van klassieke auteurs waarbij de wijsgerige godsvraag centraal zal staan en de wijze waarop een klassiek werk relevant kan zijn voor de geestelijke begeleider. |
| Inhoud | : | Het zwaartepunt wordt gelegd in 18e en 19e eeuw. Aandacht wordt besteed aan het rationalisme (Descartes), het empirisme (Hume) en de analytische filosofie van Kant. |
| Werkvormen | : | hoor- en discussiecollege. |
| Toetsvorm | : | door docent nader te bepalen |
| Literatuur | : | - Nader te bepalen, [?] [?]
|
GODSDIENSTSOCIOLOGIEBesproken worden enkele belangrijke thema’s op het gebied van godsdienst en samenleving zoals; ouderen en godsdienst, godsdienst en de multiculturele samenleving, godsdienst en secularisatie en de rol van godsdienst in de verschillende levensfasen van de mens.
| Module | : | Godsdienst en secularisatie (3SW2) |
| Omvang | : | 6 EC |
| Docent | : | Dr. R.J.J.M. Plum |
| Doelstelling | : | student verkrijgt kennis van de geseculariseerde situatie van de godsdiensten in de
verschillende continenten van de wereld en inzicht in de doorwerking van religieuze
moderniseringverschijnselen. |
| Inhoud | : | De studenten maken kennis met het verschijnsel godsdienst als product van
samenlevende mensen en als mechanisme van sociale integratie. Er wordt
ingegaan op de vraag in hoeverre secularisering oplossingen kan bieden voor die
problemen die zowel met actuele maatschappelijke ontwikkelingen als met
conflicten tussen de verschillende (in een moderne samenleving nog steeds
aanwezige), fundamentalistische waarheidspretenties te maken hebben. |
| Werkvormen | : | hoorcollege. |
| Toetsvorm | : | door docent nader te bepalen |
| Literatuur | : | - A. van Harskamp (red.), Verborgen God of lege kerk? Theologen en Sociologen over secularisering. Kampen, 1991;
- N. Smart, Godsdiensten van de wereld Kampen, 2003;
- J. Rath, Nederland en zijn islam: een ontzuilende samenleving reageert op het
ontstaan van een geloofsgemeenschap Amsterdam, 1996;
- G. Dekker, Godsdienst en Samenleving. Inleiding tot de studie van de
godsdienstsociologie. Kampen, 1997;
- G. Dekker, G. Maneschijn, A. van der Meijden, Secularisatie; crisis of uitdaging? Kampen, 1995;
- J. Lauwers, Secularisatietheorieën. Een studie over de toekomstkansen van de
godsdienst¬sociologie. Leuven, 1974;
- J. A. van der en (red.), Individualisering en religie Baarn, 1994;
- A.H. den Boef, Nederland Seculier Amsterdam 2003.
|
ETHIEKBehandeld wordt het eigen karakter van de ethische vraagstellingen op het gebied van godsdienst en samenleving en enkele begrippen en theorieën uit de toegepaste ethiek.
| Module | : | Religie en moraal (4ETH1) |
| Omvang | : | 5 EC |
| Docent | : | Prof. dr. J.P. Wils |
| Doelstelling | : | Het verwerven van kennis en inzicht in de ethische beginselen van de moderne
samenleving en het functioneren van overheden en de relatie met religie en politiek. |
| Inhoud | : | Aandacht wordt besteed aan de verhouding van morele overtuigingen en religie en
de actuele situatie in maatschappelijke taakstelling van de (semi)overheid en
bedrijfsleven en dienstensector. |
| Werkvormen | : | hoorcollege |
| Toetsvorm | : | werkstuk |
| Literatuur | : | - P.J. Zwart, De achtergronden van de moraal Assen 1996.
- A. Leijen, Profielen van Ethiek Bussum 1998.
- R. Girard, De zondebok Kampen, 1986.
|
METAFYSICADe eerste filosofie van Aristoteles heeft het onstoffelijke tot onderwerp; onstoffelijke vormen, onstoffelijke zielen en natuurlijk het goddelijke. Ging het voorheen over het zintuiglijk waarneembare dat voorwerp van beschouwing is, nu wordt er niet meer gesproken over het zintuiglijk waarneembare, het fysische, maar over het metafysische. Het lichamelijke zou dan het zintuig lijk waarneembare of het fysi sche vertegenwoordigen, de ziel en de geest, het onwaarneembare. Ook de fysi sche beschouwing is wijsheid. Maar zij is niet de eerste. Wat na het fysisch komt, het onwaarneembare, is van een andere aard en betreft het wezen dat niet waar neembaar is en geen voorwerp is van fysisch onderzoek. Het vraagt (ook volgens Aristoteles), om een heel andere intellectuele benadering.
| Module | : | Religieuze ervaring en metafysica (4MFY1) |
| Omvang | : | 4 EC |
| Docent | : | Prof. dr. J.L.F. Gerding |
| Doelstelling | : | Studenten verkrijgen kennis van vormen en type van bijzondere menselijke ervaringen en inzicht in de interpretatie en analyse . In de context van de rationele metafysica en maken studenten kennis met de hypothese van de morfogenetische resonantie. |
| Inhoud | : | Religies en religieuze filosofieën hanteren de hypothese dat er andere niveaus van werkelijkheid bestaan achter het fysieke, waar de beperkende beginselen van onze ruimte, tijd en sterfelijkheid niet van toepassing zijn. In die andere niveaus van werkelijkheid speelt niet alleen de theoretische fysica, de vorm-oorzaak-hypothese, maar ook de fenomenologie van de religieuze ervaring een belangrijke rol. Religieuze ervaring is de ervaring van mensen die claimen contact te hebben (gehad) met een werkelijkheid die uitstijgt boven de dagelijkse werkelijkheid. Het zou de waarneming zijn van het transcendente; een sub-manifeste zijnsorde.
In deze module behandelen we de empirische analyse van vormen en type van religieuze ervaring; de religieuze ervaring als gevoel of emotie, de religieuze ervaring als waarneembare ervaring en de religieuze ervaring als interpretatie in bovennatuurlijke termen. In het bijzonder wordt aandacht besteed aan Emanuel Swedenborg (1688-1722). In het kader van metafysica wordt aandacht besteed aan de hypothese van de morfogenetische resonantie. |
| Werkvormen | : | Hoor-, werk- en discussiecollege met ruimte voor eigen inbreng. |
| Toetsvorm | : | Het houden van een referaat. |
| Literatuur | : | a) Verplicht:
- W. Saanen, De rol van gevoelens en emoties in de religieuze
ervaring Utrecht, 1995;
- R. Sheldrake, A New Science of Life: the hypotheses of
formative causation London, 1981 (of Nederlandse vertaling).
b) Aanbevolen:
- A.H. Maslow, Religie en topervaring Rotterdam, 1972;
- Rudolf Otto, Het heilige Amsterdam 2002.
- F. Capra, De Tao van de fysica, Een onderzoek naar de paralellen tussen de
moderne fysica en Oosterse mystiek. Utrecht, 1994;
- H.M.M. Fortman, Als ziende de Onzienlijke. Een cultuurpsychologische studie over de
religieuze waarneming en de zogenaamde religieuze projectie Hilversum, 1974;
- J.L.F. Gerding, en het paranormale. Academisch proefschrift Amsterdam, 1993;
- I. Kant, Trume eines Geistersehers, erlautert durch Trume der Metaphysik Darmstadt, 1983 (Hrs.)
- H. Romijn, Hersenen, Geest en Kosmos. Neurobiologische,
quantummechanische en psychologische aspecten. Amsterdam, 1992;
- R. Sheldrake, Een nieuwe levenswetenschap; de hypothese
van de vormende oorzakelijkheid. Wassenaar, 1983;
- R. Sheldrake, The Present of the past New York, 1989;
- J. Snell, Dienende Engelen Breda, 1992;
- J. Weima, Reiken naar oneindigheid. Inleiding tot de psycholo
gie van de religieuze ervaring. Baarn, 1981.
|
ONDERWIJSKUNDEDe student verkrijgt kennis van en inzicht in vormen en benaderingen van leren, leermethodische opvattingen en de consequenties daarvan voor de onderwijspraktijk, onderwijsleerprocessen, en leerplanontwikkeling.
| Module | : | Onderwijskunde (2OK1) |
| Omvang | : | 5 EC |
| Docent | : | J.A.H. van de Groep |
| Doelstelling | : | Het verkrijgen van kennis en inzicht in de verschillende soorten van leren en leertheorieen en leerproblemen in de onderwijspraktijk. |
| Inhoud | : | In deze modulen wordt aandacht besteed aan de verschillende vormen van leren,
leermethodische opvattingen, onderwijsleerprocessen, methoden-analyse en het model
voor didactische analyse (het DA-model). Bijzondere aandacht wordt besteed aan het
Nederlandse schoolsysteem en leerstijlen in de onderwijspraktijk. |
| Werkvormen | : | hoor- en werkcollege. |
| Toetsvorm | : | door docent nader te bepalen |
| Literatuur | : | - R. Standeart & F. Troch, Leren onderwijzen. Inleiding in de algemene didactiek [?]
|
DIDACTIEKDe student verkrijgt kennis, inzicht en vaardigheden in het gebruik van didactische werkvormen, vormen van leren, mediagebruik, leerplanontwikkeling, methoden-analyse en het model voor didactische analyse (het DA-model).
| Module | : | Didactiek 1 (2PR1) |
| Omvang | : | 5 EC |
| Docent | : | J.A.H. van de Groep |
| Doelstelling | : | Het verwerven van kennis, inzicht en vaardigheden in het gebruik van didactische
werkvormen, vormen van leren, mediagebruik en onderwijsleerprocessen. |
| Inhoud | : | Inleiding in de algemene- en vakdidactische werkvormen en mediagebruik in de
onderwijspraktijk, een inleiding in de didactische analyse (DA) en het werken met het
DA-model. |
| Werkvormen | : | hoor- en werkcollege. |
| Toetsvorm | : | Door docent nader te bepalen |
| Literatuur | : | - A.K. Ploeger, Inleiding in de godsdienstpedagogiek Kampen, 1993;
- R. Standaert en F. Troch, Leren onderwijzen. Inleiding in de
algemene didactiek Acco Amersfoort.
|
| Module | : | Didactiek 2 (3PR2) |
| Omvang | : | 5 EC |
| Docent | : | Drs. J.A.H. van de Groep |
| Doelstelling | : | Het verwerven van nadere kennis en ontwikkelen van vaardigheden in het gebruik
van didactische werkvormen, vormen van leren, mediagebruik en
onderwijsleerprocessen. Het verkrijgen van kennis van verschillende werkvormen
binnen onderwijsleerprocessen en mediagebruik. De student is in staat
zelfstandig een leerroute te ontwikkelen. |
| Inhoud | : | Het maken van een lesontwerp en het samenstellen van drie
lessen, de vakdidactiek, de werkvormen en mediagebruik van de onderwijspraktijk.
Inleiding in de didactische analyse (DA); werken met het DA-model. |
| Werkvormen | : | hoor- en werkcollege. |
| Toetsvorm | : | het maken van twee lesontwerpen en uitvoeren van twee lessen met onderling verschillende werkvormen. |
| Literatuur | : | - A.K. Ploeger, Inleiding in de godsdienstpedagogiek Kampen, 1993;
- R. Standaert en F. Troch, Leren onderwijzen. Inleiding in de
algemene didactiek. Acco Amersfoort.
|
| Module | : | Methoden-analyse (4PRD3) |
| Omvang | : | 4 EC |
| Docent | : | Drs. J.A.H. van de Groep |
| Doelstelling | : | het verkrijgen van kennis, inzicht en vaardigheden van leerplanontwikkeling en methoden-onderzoek. |
| Inhoud | : | In deze module besteden we aandacht aan de praxis van leerplanontwikkeling en methoden-onderzoek. |
| Werkvormen | : | Practicum. |
| Toetsvorm | : | Praktijktoets |
| Literatuur | : | - Door docent nader op te geven., [?] [?]
|
PEDAGOGIEKIn deze module wordt aandacht besteed aan de verhouding van socialisatie en educatie in het onderwijs, en enkele pedagogische grondbegrippen
| Module | : | Godsdienstpedagogiek (3GP1) |
| Omvang | : | 5 EC |
| Docent | : | Dra. K. de Wildt |
| Doelstelling | : | Het verkrijgen van kennis van enkele pedagogische grondbegrippen en inzicht in de
relevantie ervan voor de onderwijs- en pedagogische praktijk van de school,
maatschappelijke organisaties, bedrijfsleven en defensie. |
| Inhoud | : | Ingegaan wordt op de vraag wat godsdienstpedagogiek is. Enkele kernpunten en
theoretische benaderingen m.b.t. de godsdienstpedagogische praktijk worden
besproken. |
| Werkvormen | : | hoorcollege |
| Toetsvorm | : | door docent nader te bepalen |
| Literatuur | : | - W.A.J. Meijer, Perspectieven op mens en opvoeding Nijkerk, 1995;
- W.A.J. Meijer, D. Benner, en J.D. Imelman, Algemene pedagogiek en culturele
diversiteit Nijkerk, 1992;
- A.K. Ploeger, Inleiding in de godsdienstpedagogiek Kampen, 1993.
|
MEDIA EN CULTUUR| Module | : | Journalistiek en redactionele vaardigheden (3MC1) |
| Omvang | : | 5 EC |
| Docent | : | Drs. R. van Warven |
| Inhoud | : | Enkele kernpunten en theoretische benaderingen m.b.t. redactionele vaardigheden en journalistieke competenties worden besproken. |
| Werkvormen | : | Hoorcollege |
| Toetsvorm | : | door docent nader te bepalen |
| Literatuur | : | - door docent nader te bepalen, [?] [?]
|
| Module | : | Massamedia en communicatie (4MC2) |
| Omvang | : | 5 EC |
| Docent | : | Drs. R. van Warven |
| Doelstelling | : | Het verkrijgen van kennis en inzicht in het gebruik van
massamedia en de relevantie ervan voor de journalistiek, maatschappelijke organisaties en bedrijfsleven en redactiepraktijk. |
| Inhoud | : | Ingegaan wordt op de vraag wat de invloed van massamedia en communicatie op het publieke domein is. Enkele kernpunten, de theoretische benaderingen, de bijdrage, de diverse functies en invloed op een samenleving worden besproken. |
| Werkvormen | : | hoorcollege |
| Toetsvorm | : | door de docent nader te bepalen |
| Literatuur | : | - door docent nader te bepalen, [?] [?]
|